Berend Botje en Femke Fiederelsje

‘Waar ga je heen, jongetje?’

‘Zuidlaren, meneer.’

‘In dat speelgoedbootje, met een plastic peddel?’
‘Ja, meneer.’
‘Weten je ouders dit wel?’
‘Jazeker. Ze zeiden nog: “Pas op jongen, soms is de weg recht en dan weer krom. Ze zullen later een liedje over je schrijven.”’

‘Wacht eens even… Wat is je naam?’
‘Berend.’
‘Berend wat?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Je achternaam, natuurlijk.’
‘O, Botje.’
– nee hè! Dat is die galbak aan wie we dat kutliedje te danken hebben. Ik kan het nog voorkomen…
‘Berend.’
‘Ja, meneer.’
‘Je wilt helemaal niet naar Zuidlaren, hè? Maar naar Amerika.’
‘Eh… ja, meneer.’
‘We gaan eerst een spelletje doen: wie het langst onder water kan blijven. Jij begint!
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven…

Hè, waar ben je nou gebleven?’

 

‘Geef me je peddel, dan trek ik je aan boord. Ik ben Christoffel. Wie ben jij?’
‘Berend Botje. Christoffel…? Is uw achternaam Columbus?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik kom uit de toekomst.
Keer om meneer! U zult een vreselijk land ontdekken: Amerika.’
‘Nee, Berend, ik ga naar Indië.’
‘U vergist zich. De indianen zullen op gruwelijke wijze worden vermoord. De slechtste Europeanen zullen chauvinistische Amerikanen zijn. Een donkere dominee en meerdere presidenten worden vermoord.
Geloof me, een vreselijk volk. Met de Bijbel op tafel vermoorden ze elkaar. Voeren bloedige oorlogen in landen waar ze niets te zoeken hebben. Alles uit naam van God en lotsbestemming.
Een gevaarlijke man met gek haar wordt daar president.’
‘Haha, jochie, heb je zeewater gedronken?’

‘Nee, meneer Columbus.’

‘Kijk, Berend, daar komt de Titanic aan. Wat ziet dat schip eruit zeg. Het lijkt wel of het tegen een ijsberg is aangevaren. Kapitein, mag dit jongetje aan boord, hij wil naar huis. Toch, Berend?’

‘Ja hoor,’ zegt de kapitein, ‘veel passagiers heb ik toch niet meer.’

De stuurman is een echte Nederlandse Amerikaan. Tjonge, hij gaat van voor naar achter en van links naar rechts. Berend wordt er kotsmisselijk van. Ook van de haring die met kieuwen en ingewanden en al wordt gegeten. Zul je altijd zien: als je Willem Beukelszoon nodig hebt om het haringkaken uit te vinden, is hij er niet.

‘Wat een eigenwijs opdondertje ben jij,’ klaagt de stuurman. ‘Ga je mij even vertellen hoe ik een schip moet varen? Kom zeg. Heet jij soms Johan en word jij later een beroemde voetballer?’

‘Welnee,’ zegt Berend. ‘Ik heb geen zin om onder de tatoeages te zitten. Zo ordinair.’

Dat was tegen het zere houten been van de kapitein: ‘Wat is er mis met een tatoeage? Johan heeft trouwens helemaal geen tatoeages.’

‘Dat kunt u niet weten, kapitein. Kunt u soms in de toekomst kijken? Johan moet nog geboren worden.’

Daar heeft de kapitein geen antwoord op. Hij is blij als ze weer aan land komen en hij eindelijk van die apenkop af is. Dat durft hij niet hardop te zeggen, omdat ‘apenkop’ heel omstreden zal gaan worden.

 

‘Berend!’ roept Elsje Fiederelsje.

‘Elsje!’ roept Berend. Wat fijn dat je er bent. Heb je mijn appje ontvangen?’

‘Ja, natuurlijk, anders stond ik hier toch niet, eikel. Waar was je al die tijd?’

‘Ken je die mop van dat jongetje dat naar Amerika ging?’

‘Nee, wel die van dat jongetje dat naar Zuidlaren ging.’

Ach ja, er gaat weleens een mop de mist in.

‘Heb je honger?’ vraagt Elsje.

‘Een berehonger,’ zegt Berend die wel van een woordgrap houdt.

‘Ik moet nog meel kopen, mijn moeder bakt pannekoeken.’

‘Dat zeg je verkeerd,’ zegt Berend – ook al is dit geen mooie zin: zeg en zegt in dezelfde zin.

‘Hoe dat zo?’ vraagt Elsje.

‘Het is pannenkoek,’ Elsje.

‘Ho ho, die tussen-n is nog lang niet uitgevonden.’

‘Nee, maar dat gaat wel gebeuren.’

‘Jij zegt trouwens zelf beregoed; zonder tussen-n.’

‘Dat klopt: bij een versterking zoals bere en reuze krijg je geen tussen-n.’

Die Berend toch. Hij weet het altijd beter.

Ze lopen naar de Lidl, maar daar is geen zelfrijzend bakmeel. ‘Wat wil je,’ zegt de verkoopster, ‘het is vakantietijd; wie is er dan niet op reis?’

 

Berend en Elsje lopen naar haar huis in de Van Eeghenstraat. Een chique straat in Amsterdam-Zuid, genoemd naar de ontdekker ervan: Frans Fiederelsje, die daar een liedje over heeft geschreven. Niet te verwarren met Frans Hals, want die kon absoluut niet zingen.

‘Dag mevrouw, ik ben Berend.’

‘Dag Berend. Ik ben mevrouw Fiederelsje. Maar zeg gerust Femke Halsema.’

‘Bent u soms familie van Frans Fiederelsje?’ vraagt Berend.

‘Nee, hoor, maar ik kan wel goed schilderen.’

‘Elsje, zet je klompen maar bij het vuur. Heb je het meel?’

‘Ja, mama.’

‘Zo duur?!’

Dat is nou weer typisch mevrouw Fiederelsje. Altijd weer zeuren. Maar ze heeft het ook niet makkelijk. Nee zeg. Haar man is veroordeeld omdat hij een neppistool in zijn bezit had. Zó dom, Oey wat is die man dom zeg. Je zag gelijk dat het nep was. Alleen zijn zoon had het niet door, die was nog dommer.

‘Lust je spekpannenkoeken, Berend?’ vraagt Femke.

‘Jawel hoor, als er maar geen spek in zit.’

Wat een rare jongen, denkt Femke. Als die geen corona heeft… Ze doet haar mondkapje voor.

‘Wat stinkt het hier,’ zegt Berend.

Femke doet haar mondkapje naar beneden, blaast in haar hand en zegt: ‘Ik ruik niets. Behalve rook; ben je nu weer begonnen, Elsje?’

‘Mama!’ Elsje wijst naar het fornuis…

‘Potverdikke, stomme trut! Ik had gezegd je klompen bij en niet op het vuur te zetten.’

‘Dat zijn mijn klompen niet, mama.’

 

Alle pannenkoeken zijn verbrand. Op zijn sokken loopt Berend naar huis. Het zit hem ook nooit mee. Zijn vader heeft een ziekelijke slaapzucht met een moeilijke naam: lethargie. Hoe kun je nou van een jochie verwachten dat ie zo’n moeilijk woord als lethargie onthoudt? Hij kan nooit op het woord lethargie komen. ‘Gebruik dan een ezelsbruggetje,’ zegt zijn vader dan. ‘Bijvoorbeeld liturgie. Maar liturgie is minstens net zo moeilijk en slaapverwekkend als lethargie dat hij daar een ezelsbruggetje voor moet verzinnen.

Berends moeder is een dame van plezier, maar hij heeft haar nog nooit zien lachen. Dat vinden haar klanten ook: ‘Wat een zuurpruim.’ De man van de fruitstal stuurt haar altijd weg: ‘Scheer je weg, zo verkoop ik nog geen pruim.’ Maar dat vindt Berends vader nooit een goed idee: ‘Wat stinkt mijn scheermes toch zuur,’ klaagt hij dan weer.

 

‘Vader, vader, slaapt gij nog?’

‘Potverdikke, nee nu niet meer,’ zegt Jacob. ‘Eerst die kut kerklokken of die moskee, en nu jij weer, oelewapper! Ik heb weer zo’n last van die, uh…’

‘Lethargie, vader?’

‘Ja, onthoud dat woord nu eens, sukkel.

En wat hebben al die sirenes te betekenen, Berend?’

‘Er staat een huis in de fik, vader.’

‘Waar?’

‘In de Van Eeghenstraat, vader.’

‘O, dat is toch een kakbuurt. Er wordt aangebeld, doe eens open en vraag wie het is.’

‘Wie is daar…?

‘Andries.’

‘Het is Andries, vader.’

‘Vraag wat ie komt doen.’

‘Wat komt u doen.’

‘Ik kom Jezus brengen.’

‘Hij komt Jezus brengen, vader.’

‘Zeg maar dat ie ‘m op de trap zet en dat ik hem later wel kom ophalen. Dat gezeik.’

Maar Andries houdt zijn poot stijf zoals het Andries betaamt; voordat ze het weten staat hij bij Jacob in de slaapkamer, samen met een man met een pijp in zijn mond en een schriel mannetje met een voetbal onder zijn arm. Hij praat slecht Nederlands, met kromme zinnen.

‘Jezus,’ zegt Jacob.

‘Dag Jacob.’ ‘Dag Jacob.’

‘Zeg Andries, alles goed en wel, maar wie is nu Jezus?’

‘Daar zijn we nog niet uit, Jacob. Maar morgen is het Hemelvaartsdag, dus kun je gelijk mee. Je krijgt tien procent korting op je uitvaart en zo reduceer je ook die kut-coronaverspreiding, op jouw hoge leeftijd’ – ja, die Andries is soms best grof.

‘Die heb ik helemaal niet, Andries.’

‘Heb je je dan laten testen, Jacob?’

‘Als aartsvader weet ik toch zeker zelf wel of ik een kut heb of niet?’

 

Het was een mooie uitvaart. Voor het eerst zag Berend zijn moeder lachen.

 

 

 

 

 

 

 

Gedachtestroom

Als ik wil schrijven maar geen letter uit mijn toetsenbord komt
Als de weerman praat over een occlusie en een journaal gruwelijke beelden laat zien
Als spotjes vertellen dat een op de vier kanker krijgt, een hartziekte of diabetes
Als BN’ers vertellen hoe de wereld in elkaar zit
Als ik wil hardlopen maar mijn sportkleding nog nat aan de waslijn hangt
Als ik honger noch dorst maar toch iets nodig heb
Als de inspiratie die in mij zit en doorgaans eruit komt door stil te zijn en te luisteren toch niet komt
Dan wil ik alleen zijn met iemand en met mijn gedachten
Dan wil ik alleen zijn met iemand die mij begrijpt
Dan wil ik alleen zijn met mezelf

Denkend aan Holland hoor ik klagende stemmen over oneindig kromgetrokken en bebladerde spoorrails gaan.

Wil ik weg uit de meanderende stroom van te verschillende, enge gedachten. Wil ik terug naar het utopische verleden waarin veel toch overzichtelijker was.
Denkend aan Holland hebben mensen het over verbinden terwijl ze met hun eigen mening overal los van staan. Lijkt uiterlijke schijn belangrijker dan intrinsieke waarde.

Een minirokje, lange of korte broek, hotpants, broekjes zonder kruis… Wijde en strakke pijpen, knieën door een broek. Jeans of denim, corduroy of ribfluweel, het verschil is overeenkomst.
Ronde billen, uitgezakte billen, nauwelijks billen, we hebben er allemaal twee. Romeinse rok, latex, draag het als een fetisj je fetisj is.
Wat past erbij en wie bij wie? Strak en wijd zoekend naar verbinding, tijdens een crisis en ook daarna.
Verbinden is geen kreet maar een sterk werkwoord.

Denkend aan Holland hoor ik landschap ontsierende windmolenparken en energie slurpende airco’s die bij het klimaatakkoord vergeten zijn.
Denkend aan Holland hoor ik mensen praten over gelijkheid terwijl ze toch vooral anders willen zijn. Regent het klachten dat de hitte toch ook niet is wat ze wensen.
Lachen ze door gas en huilen mee met de wolven.

Mijn achternaam heb ik te danken aan de rivier die nog weleens buiten zijn oevers treedt.

Ik meander mijn leven lang al door een landschap dat maatschappij heet. Met succes of wat minder.
Een nimmer aflatende gedachtestroom waarbij de sterkste gedachten uitgroeien tot idealen en de zwakkere ergens in een bocht blijven steken.
Iedere dag worden er weer nieuwe geboren, als glasaaltjes, snel en behendig. Als ze sterk genoeg zijn bereiken ze de delta waar ze in vrijheid voortleven en doorgroeien.
Houd mijn gedachten nooit tegen, geef ze de vrijheid die ze verdienen om idealen te worden, die flexibel genoeg zijn om bochten te nemen zonder eruit te vliegen; ik zal nooit buiten mijn oevers treden, zelfs niet bij storm.

Ik zet de tijd even stil en teken virtueel een beeldscherm dat kleur moet geven aan mijn herinneringen.

Mijn ogen zijn naar binnen gericht en met gemixte emoties tast ik het beeldscherm af. Ik weet waar ik nu sta, maar zie ik mezelf nog terug op dat zwart-witbeeld? De beeldbuis is diep. Uit de tijd dat het verleden kortetermijndenken was en de toekomst langetermijndenkend met je flirtte. De tijd heeft zich schijnbaar omgedraaid.
Ik moet daar nog ergens lopen, sporten, leren om te onthouden of te vergeten. Waar heb ik buitenspel gestaan en in welke val ben ik getrapt? Ik zet het beeld stil en kijk nog eens, en nog eens. Hoewel het beeld helder is, blijft het toch interpreteren.

 

 

Verboden woorden op een goudschaaltje

‘Oh… neem me niet kwalijk,’ zeg ik. ‘Ik had beter even kunnen wachten met afslaan. Zeker met mijn handicap.’

‘Je hebt een behoorlijk handicap,’ lacht de man zijn witte tanden bloot. Het spierwitte golfballetje was precies op zijn hoofd gestuiterd. Hoe krijg ik het voor elkaar.

Het is dinsdag, een dag te ver van het afgelopen weekend verwijderd om daaraan nog te denken en het aanstaande weekend is weer te ver weg om me daar al op te verheugen. Gedachteloos een balletje slaan is de beste meditatie.

‘Zullen we samen een paar holes lopen? Alleen is maar alleen. Ik ben Glenn, een neger, maar dat had je vast al gezien. En door mijn kroeshaar voelde ik het balletje amper landen. O ja, ik ben homo; niet dat je daar last van zult hebben.’

‘Prima, Glenn. Ik ben trouwens hetero en blank.’

Met een soepele swing vanuit de heupen slaat Glenn af. Zou ik mogen zeggen dat donkere mensen atletischer zijn dan blanke, dat ze harder kunnen lopen (zeker sprinten) en beter dansen? Of komt dat verkeerd over?

‘Waarom is een golfbal altijd wit? In de lucht, onder een grauwe hemel, is hij amper te volgen. Zwart zou dan beter zijn. Ook goed te zien in het gras, trouwens.’

‘Nooit over nagedacht, Glenn.’

‘Dat is geen antwoord.’

‘Wit, blank of zwart… wat maakt het uit, Glenn.’

‘Blank is toch anders dan wit.’

‘Blank of wit, wat maakt het uit?’

‘Als je je schuurtje blank wilt lakken en je gebruikt witte verf, moet je eens kijken wat dat scheelt.’

‘Ik vind jou niet zwart,’ durf ik te zeggen. ‘Eerder bruin.’

‘Toch was ik te zwart om voor Zwarte Piet te spelen.’

‘Hè?’

‘Ja, ze konden me niet schminken met regenboogkleuren. Daar heb je een blanke ondergrond voor nodig, zeiden ze.’

Tussen hole twee en drie vertelt Glenn dat zijn relatie pas over is. ‘Soms te veel woorden en even vaak te weinig. Wat er echt aan de hand is, is meer een gevoelskwestie. Daar is geen enkel woord voor te vinden – en jij?’

‘Gescheiden.’

‘Kinderen? Daar vind ik altijd zo zielig voor.’

‘Een meisje,’ zeg ik. Ik haal mijn portefeuille uit mijn achterzak…

‘Link met mij in de buurt, die portefeuille zo in je achterzak,’ lacht Glenn.

Zijn lach verdwijnt als ik hem de foto van mijn dochtertje laat zien. Donkere ogen kunnen toch nog donkerder worden.

‘Lief meisje, heeft ze het syndroom van Down?’ vraagt Glenn even direct als aarzelend.

‘Je ziet het. Ik noem het een mongooltje; syndroom klinkt mij als iets wat een oorlogsslachtoffer heeft opgelopen. Zij heeft niets opgelopen. Ze heeft wat te veel: één chromosoom. Meer niet. En haar beperking is toch echt een handicap: voor nu en vooral voor later. Een mongooltje met een handicap van wie we zielsveel houden en waar niemand ons van afbrengt, zo is het voor mij en mijn ex-vrouw,’ zeg ik tegen een sympathieke homoseksuele donkere man die ik hier op de golfbaan heb leren kennen. Voor hetzelfde geld was het een islamiet geweest als die tenminste ook golft. Of moet ik moslim zeggen? Of haal ik nu alles door elkaar?

Glenn doet zijn arm om me heen en ik doe hetzelfde. We omhelzen elkaar met een zoen op de wang. Tussen twee holes in, op een dinsdag, met onze handicaps die ons niet beperken. Geen woorden meer nodig.  

‘Heb je een hekel aan het woord neger?’

‘Hang ervan af wie het zegt, en vooral hoe.’

‘Onderling noemen jullie elkaar vaak wel zo. En in teksten van rappers hoor ik het dikwijls ook.’

‘We zijn nu eenmaal van het negroïde ras.’

‘Nu zeg ik dat dat geen antwoord is.’

Glenn lacht. ‘Een ras is nu eenmaal een ras. En een ras is een groep mensen die gekenmerkt wordt door dezelfde erfelijke lichaamskenmerken.’

‘Ras is ook een verboden woord door etniciteit.’

‘Je komt er nooit vanaf, al zou je willen. Als ik morgen onder de tram kom en mijn been verlies, hoor ik niet opeens tot een ander ras: een afgezet been is niet erfelijk.’

‘Als je alles op een goudschaaltje legt, kom je er nooit meer uit.’

‘Precies,’ zegt Glenn. ‘En wie bepaalt wat in tijden van gelijkheid waarin iedereen zich toch wil onderscheiden. Kijk maar op de sociale media. Meningen krioelen dominant door elkaar.’

In het clubhuis drinkt Glenn een witbiertje en ik een donker Belgisch biertje. Omdat wij dat lekker vinden.