Stoplichten zijn beperkte verkeerslichten

‘Goedemiddag meneer. Weet u de weg naar het station?’

‘Jazeker. Bij de stoplichten oversteken…’

‘Ik onderbreek u, anders kom ik nooit bij het station.’

‘Hoezo?’

‘U zegt stoplichten.’

‘Ja…’

‘Als zijnde stoplichten – wat feitelijk onjuist is, want het is ‘als stoplichten’ of ‘stoplichten zijnde’; excuus voor deze contaminatie waarbij ik mij tevens afvraag of ik stoplichten niet aan het personifiëren ben, maar dit terzijde – kom ik nooit aan de overkant: stoplichten zijn om te stoppen. Iedere associatie met uw rode haar berust trouwens op louter toeval. En mooi rood is niet lelijk.’

‘Als het groen is niet. Oranje kan net nog.’

‘Groen haar vind ik ook lelijk, en oranje kan echt niet. Maar als u antwoordt met “niet” op mijn opmerking “niet lelijk”, is dat een dubbele ontkenning, waarmee u dus zegt dat u groen haar wél mooi vindt. Begrijpt u wel?’

‘Nee! Ik heb het over die stoplichten natuurlijk!’

‘Verkeerslichten! Stoplichten is een te beperkte benaming.’

‘Volgens mij heeft u een beperking! Schiet nu maar op, ik moet naar de overkant.’

‘Dat heeft totaal geen zin.’

‘Waarom niet?’

‘Als u aan de overkant bent, is dit weer de overkant. Zo blijf je aan de gang. Val me niet lastig met die onzin.’

‘U spoort niet.’

‘Daar heeft u een punt. Want ik weet nog steeds niet waar het station is. Mafkees!’

 

 

 

 

De dubbele ritssluiting van Sal

 ‘Kun je een nieuwe rits in mijn jas zetten, Sal?’

      ‘Attenoje. Hoe krijg je het voor elkaar…’

      ‘Hij ging gewoon stuk.’

      ‘In dezelfde week die rellen en de Holocaust Herdenking. Ze begrijpen niet wat het is en menen het toch te weten. Een ster op je jas… hoe halen ze het in hun harses. Een retrospectief wangedrag vanuit een verkeerd perspectief. Ze zijn mesjogge. Deze tijd heeft de verbinding van een houtje-touwtjejas, je voelt de tocht tot diep in je ziel.

      De tandjes grijpen niet meer in elkaar. Ik zet er een dubbele ritssluiting voor je in, met ook een opener aan de onderkant. Dan kun je er makkelijker uit ontsnappen als hij ooit vastzit. Voor dezelfde prijs, ik zal je matsen.’

      In zijn atelier hangt een lucht die nog bedompter is dan anders.

      ‘De voordeur is dicht, officieel ben ik gesloten, want een naaiatelier is niet essentieel, zeggen ze.

      Uitgerekend op 4 mei geeft Max de pijp aan Maarten. Een maand nadat hij op de ic was beland. Ik mocht hem niet bezoeken, zelfs zijn uitvaart was voor mij verboden. Een paar dagen daarna is zijn huis leeggehaald; dan zie je pas de vergankelijkheid van alles.

      Ieder jaar behalve nu stonden we er op 4 mei. De keien deden pijn aan je voeten en het nazi-racisme aan je ziel. Twitter mij nou niet dat ik een racist ben omdat ik tegen die demonstratie op de Dam was. Ze hebben niks meegemaakt.

      Er is niets veranderd. Nou ja, het Waterlooplein is kleiner dan vroeger. Dat komt door die foeilelijke Stopera. Zie je er weleens een toerist een selfie nemen?

      Haring Arie verkocht hier zonder vergunning haring. Hij was de pooier van zijn eigen mokkel. Misdaad kent geen romantiek. Iedereen was bang voor hem en noemde hem “mijn gabber”. Angst dat is het. Holleeder schiet een kogel door je kop en Arie stak je in je rug.

      “Blijf met je rotpoten van onze rotjoden, smouzen af,” werd er tijdens de Februaristaking in 1941 geroepen. Saamhorigheid? Natuurlijk niet. Alleen haat wilde men delen. Zeker tegen de moffen. Samen betekent meer dan met z’n allen alleen zijn. Maar een mens is en blijft een individu. Een huwelijk houdt al geen stand…’

      ‘Wordt het niet vreemd voor je dit jaar?’

      Sal stroopt zijn mouw op: ‘Als ik naar dit nummer kijk dan huil ik. Maar dat zie je dan weer niet.’

      ‘Kon je het niet laten weghalen?’

      ‘Ben je mesjogge? Als ik niet weet wie ik was, zonder ouders, weet ik het weer. Ooit heb ik mijn kleindochter zo’n tekendoos gegeven. Iedere afbeelding was genummerd met bijbehorende kleuren. Het penseel deed het werk. Gewoon quatsch. Genummerde tekeningen, maar wel van haar. Ze heeft ze allemaal bewaard.

      Ik was tien toen de oorlog uitbrak. Algauw ging ik niet meer naar school. Met een knijpkat vond je in het donker de weg naar huis. Als je al niet veel hebt, kun je ook niet veel missen. Ook niet toen we moesten onderduiken: spertijd duurde de hele dag. Binnen moest je jezelf zien te vermaken. Hoe kan ik me niet meer herinneren. Als wezenloze wees kwam ik weer terug, twee jaar nadat ik mijn ouders gedag had gezwaaid – zwaaien doe ik nooit meer. Ik gun iedereen zijn probleem, maar gun mij dan mijn onbegrip, dat ik niet begrijp dat je de dood wilt omarmen als je nog geen jaar in alle vrijheid beperkt bent in je vrijheid. Velen met mij hadden maar één doel: overleven. Als de dood voor de dood. Een eetprobleem omdat er niets te nassen was. 

      Op deze markt liep ik destijds. Ik had net Het Parool op de kop getikt, voor het eerst bovengronds. ‘s Zaterdags lees ik het magazine ‘PS Van de Week’ – wat voegt een week nog aan mijn leven toe? En toch wil ik niet dood.

      Als ze niets van je te vrezen hebben, hoef je ook niets van ze te verwachten. Mijn handen was ik en afstand houd ik graag. Geef mij maar die vaccinatie die voor zestig procent werkt; negentig procent van mijn leven heb ik al gehad, hou ik nog dertig procent over: goeie koop! Maar welk vaccin beschermt je tegen het antisemitisme? – wat broeit gaat branden.’

 

 

 

 

 

 

Piet en Harry - de afrekening

‘Piet!’ zegt de man, die geschrokken achterover in zijn stoel leunt. Dat is lang geleden. Kom je hier nog steeds?’

 

Piet zat zoals altijd op zijn strategische plek waar hij het gordijn goed in de gaten kon houden en waarvandaan hij een makkelijke doortocht met zijn rollator naar de wc had.

De plek was behaaglijk achter het schot, ’s winters bij de kachel. Op zijn leeftijd kon tocht funest zijn als er iemand binnenkwam. En waarom zou je het aangename niet met het nuttige verenigen?

Iedere dag nuttigde hij twee koffie en een jonge borrel. Vroeger twee bier, maar sinds hij slechter ging lopen is hij daarmee gestopt. Niemand sprak hij aan en niemand vroeg hem wat. En iedere dag zat hij te wachten totdat Harry het etablissement zou betreden: zijn gevoel was zijn gave. De dader komt altijd terug naar de plaats delict. Een uitzondering was de sterfdag van zijn vrouw. Dan schuifelde Piet moeizaam met zijn rollator over de kiezels van de begraafplaats. Tussen alle dolende zielen voelde hij Harry’s nog levende geest, en haalde hij het vreemde bosje rozen van het graf om er vergeet-me-nietjes voor in de plaats te leggen.

 

Het gordijn gaat open. Een lange, knappe man komt binnen en kijkt om zich heen. Zijn schoenen zijn duur en op zijn hoofd zit veel haar. Grijs, maar het is er nog. De moedervlek op zijn wang is zijn identiteitsbewijs. Piet verbergt zich achter zijn krantje en strijkt over zijn kale schedel. Hij is ook niet veranderd, want kaal blijft kaal. Regelmatig, maar uiterst behoedzaam, gluurt hij over de rand van zijn krant. De man loopt naar de plek waar de jukebox vroeger stond. Nummer 33 had hen bij elkaar gebracht: een snel nummer dat lang zou duren.

Piets handen worden warm. Hij laat zijn krant zakken en staat op. Kaarsrecht. Hij heeft zelfs niet in de gaten dat ie zonder rollator naar de man loopt.

‘Nee, deze man hoeft niets te drinken,’ zegt Piet tegen de kastelein. ‘Zijn consumptie heeft hij jaren geleden al opgehaald’ – de kastelein haalt zijn schouders op.

‘Het was mijn vrouw, Harry. Een kolerewijf, maar wel mijn kolerewijf. En ja, ik kom hier nog steeds; mijn geduld wordt vandaag beloond.’

Piet zet om zijn breedte te accentueren zijn grove knuisten ver uit elkaar op Harry’s tafeltje.

‘Piet, het is, het is…’

‘Wat is het, Harry?’

‘Zo’n tijd geleden…’

‘Ja, “geleden”… Dat klopt, Harry. Als je weer rozen op haar graf wil leggen, wacht dan even tot ik bij haar lig. Dan heb ik eindelijk weer wat met haar te delen.  

Piet haalt zijn rechterknuist van het tafeltje en brengt hem naar achteren. De opgekropte woede, zo heet als zijn magnetronmaaltijd of zo koud als zijn voeten ’s winters in bed, moet eruit. Maar de spanning is weg, zoals bij een kind dat allang weet wat zijn cadeautje is als hij het uitpakt.

Halverwege de uithaal ontvouwt Piet zijn knuist tot een vlakke hand waarmee hij Harry een korte, felle tik op zijn moedervlek geeft. De angst in Harry’s ogen geeft hem niet de voldoening waarvan hij jarenlang had gedroomd. Nooit van rust of berusting – hij doet zijn stropdas recht die niet scheef zat.

‘Au. Godverdomme, Piet. Dat doet pijn’ – Harry doet zijn bril weer op die hij niet af had hoeven doen.

‘Langdurige pijn is gevoeliger, Harry. Maar nu is het klaar – mag ik hier twee jonge klare en gelijk afrekenen?’

 

 

 

 

 

Het kerstdiner - wilde paprika

‘Waar blijft de patat nou?’

‘Ik denk niet dat we die krijgen.’

‘Waarom niet?’

‘Stond niet op de kaart.’

‘Dat glaasje was wel lekker.’

‘Wel een beetje weinig.’

‘Wat was het trouwens?’

‘Geen idee.’

‘Gezellig, hè?’

 ‘Ja, gezellig.’

‘Weer eens wat anders dan konijn.’

‘Dat vind je toch altijd lekker met kerst?’

‘Dat wel!’

‘En de stoofpeertjes.’

‘Hou op, ik krijg honger.’

‘Vond jij die oesters lekker?’

‘We hebben ze in ieder geval een keer gegeten.’

‘Het is net of je kopje-onder gaat in de zee.’

‘De wijn is zuur. Een pilsje vind ik lekkerder.’

‘Het vlees scharrelt wel erg lang.’

‘Ze zijn ons toch niet vergeten?’

‘Ah, daar komt de ober aan.’

‘Hij gaat naar een ander tafeltje.’

‘Moet je hier betalen voor het toilet?’

‘Geen idee.’

 

‘Mevrouw, meneer, alles naar wens?’
‘We wachten nog op de brunoise gesneden gerookte wilde paprika.’
‘Tilt u het visje ietsje op, meneer. Kijk, daar achter die glanzend groene doperwt… Ziet u?’
‘Ik zie niets. Zelfs niet met mijn leesbril op.’
‘Jawel, ik tel algauw twee, nee, drie stukjes. En achter de artisjok hebben er nog twee zich verstopt; het zijn boefjes, hoor.’


‘En de rest ligt op meer dan anderhalve meter van elkaar, of is ontsnapt? Doe anders het raam even dicht.
Jullie driesterren-vermelding is omvangrijker. Om maar niet van de prijzen te spreken…’

 

‘Zie jij wat ik zie? Er brandt nog licht. Zal ik de afslag nemen?’
‘Ja!’
‘Goedenavond. Graag twee Big Mac en twee grote porties friet.’
‘Wilt u salade erbij?’
‘Welke salade heeft u?’
‘Paprikasalade, meneer.’

 

 

Kerstdiner met een boa

‘Er wordt gebeld, Sjaan.’

‘Ja, er wordt gebeld, Arie.’

‘Toch niet je ouders?’

‘Ik kan niet door een deur kijken, Arie. Misschien wel jouw moeder. Ik zou maar opendoen als ik jou was.’

‘Waarom ik?’

‘Waarom ik?’

‘Godsamme…’

‘Niet vloeken met kerst, Arie!’

 

‘Wie bent u?’ vraagt Arie.

Een man in een blauw kunststof jack met logo staat voor de deur. Hoewel het niet regent ziet hij er doorweekt uit. Zijn haar is zo vet dat als de zon had geschenen, je er een ei op kon bakken.

‘Boa,’ zegt hij streng. ‘Hier is mijn legitimatie.’

‘Boa…?’

‘Ik kom het aantal aanwezige personen controleren. Mag ik even binnenkomen?’

‘Laat die man z’n schoenen uitdoen. Ik heb de vloer net gedaan, Arie.’

‘U hoort het, meneer.’

‘Heeft u geen mondkapje voor?’

‘In mijn eigen huis zeker… Zet uw schoenen maar onder de kapstok.

Poeh… tjonge!’

‘Ik heb u gewaarschuwd.’

De man loopt de kamer in. ‘U mag maar drie bezoekers per dag ontvangen,’ zegt hij nors als hij naar de overige vier personen kijkt.

‘Kom nou! Dit zijn onze kinderen. We zijn een gezin, weet u wel.’

‘Ja, dat zeggen ze allemaal, mevrouw. Kinderen boven twaalf jaar tellen gewoon mee als bezoek. Tenzij ze hier wonen, natuurlijk.’

‘Man, het zijn onze kinderen. Tegenwoordig zien kinderen er ouder uit. Dit is onze zoon,’ zegt Arie verontwaardigd. ‘Hij is de oudste en pas elf! Kijk eens naar mijn giechel en dan naar zijn neus. Ziet u het?’

‘Ik heb zelf ook een grote neus, maar we zijn geen familie. U moet niet zo generaliseren. Laat hij zijn identificatie maar zien.’

‘Nee meneer, kinderen onder de veertien hoeven zich niet te identificeren en ouders hoeven niet met bewijzen te komen dat hun kind nog geen dertien is. Tenzij er sprake is van een strafbaar feit.’

‘Juist. Om dat te weten te komen moet ie zich dus identificeren.’

‘Wat niet hoeft omdat ie nog geen veertien is.’

‘Zo kom ik er nooit achter; wie heeft die regels gemaakt zeg…

Wat doen al die bordjes op tafel, verwacht u visite zoals ouders en schoonouders? Dat zijn er vier, dus mag er één niet komen.’

‘Nee, onze ouders komen niet. Sjaans moeder kan niet met mijn moeder opschieten.’

‘Ja hoor, Arie, het zal niet aan mijn moeder liggen...’

‘En mijn vader is overleden,’ zegt Arie ‘dus zijn het er maar drie extra; áls ze zouden komen.’

‘O, gelukkig maar, zegt de man.’ Hij laat zich in een stoel zakken en vraagt of hij even mag gaan zitten. ‘Ik heb het weer,’ zegt hij.

‘Wat?’ vraagt Arie.

De man kijkt van zijn versleten sokken – waar nog net geen knol in zit – naar het plafond, alsof hij daar zijn tekst kan aflezen, zoals bij een autocue. ‘Mijn vrouw had gelijk. Ik sla door. Waarom weet ik niet. Mijn vader sloeg ook altijd door – en dat blijf je voelen.

Niet zo verwonderlijk dat ze verleden jaar de kuierlatten heeft genomen. Maar met een belastinginspecteur… dat begrijp ik dan weer niet, hè.

Ze was het zat. Tot een jaar geleden werkte ik bij de sociale dienst. Ik kwam dan onaangekondigd bij de mensen langs en…’

‘Dat doet u nu toch ook?’ vraagt Arie. ‘Laat de man zijn verhaal afmaken,’ zegt Sjaan.

‘Het eerste wat ik dan deed was kijken hoeveel tandenborstels er in de badkamer aanwezig waren, als iemand beweerde alleen te wonen. Er wórdt wat gefraudeerd, ziet u.’

‘Maar wat heeft uw vrouw hiermee te maken?’ wil Sjaan weten.

‘Ik nam mijn werk mee naar huis. Keek in haar kast of ze weer een nieuwe jurk had gekocht en nog meer van dat soort dingen. Ik mis haar zo… Heeft u een tissuetje?’

‘Wilt u misschien wat drinken?’ vraagt Sjaan – Arie kijkt alsof hij zijn schoonmoeder voor de deur ziet staan.

‘Nou als u een jonge borrel heeft… Ik ben wel toe aan een opkikkertje: wat een dag! Toch houden al die bordjes me bezig…’

‘We eten springbok. De extra bordjes zijn voor de botjes.’

‘Moeilijk te vangen, een springbok. Haha, zeg niet dat ik geen gevoel voor humor heb. Hij ruikt trouwens heerlijk. Dat heb je niet hè, met zo’n magnetronmaaltijd. En dan in je eentje. Muziek, daar houd ik van, maar om nu de hele dag ‘Eenzame Kerst’ van André Hazes te draaien… Of ’s avonds ‘Stille nacht, heilige nacht’. Alle nachten zijn voor mij stil. En een heilige nacht zal die belastinginspecteur nu wel met haar beleven. Dat jullie vier kinderen hebben. Tjonge.’

‘Als je niet van sporten houdt, moet je toch bewegen…’

‘Hè, Arie!’

‘Kom, ik stap maar weer eens op,’ zegt de man bewegingsloos.

Sjaan kijkt Arie aan, die zijn hoofd schudt. ‘Wilt u misschien een hapje mee-eten, meneer? Er is genoeg. Niemand mag met kerst alleen zijn. En met z’n drieën mag toch?’

‘Nou, dat sla ik niet af! Al zou het niet mogen, regels zijn er niet om letterlijk te nemen, maar om te interpreteren.’

 

‘Heeft het gesmaakt, meneer?’

‘Zegt u maar Bertus hoor, mevrouw Sjaan. “Bertus de boa”. Zo noemen de mensen me. Niet altijd vriendelijk bedoeld, hoewel ik alleen maar orders opvolg.’

‘Dat hebben er in het verleden meer gezegd.’

‘Hè, Arie! Heeft het gesmaakt, Bertus?’

‘Wat heet… Dat beestje springt lekker heen en weer in mijn buik, Sjaan. Wat hebben we het toch goed hè? Samen kan ook in kleinere groepen, dat zie je maar weer. Verbinden, daar gaat het om. En ja, ik lust nog wel een bodempje wijn. Arie toch ook?’

‘Nee dank je, ik ben al een beetje misselijk.’

‘Lust je stoofpeertjes?’ vraagt Sjaan als ze naar de keuken loopt.

‘Ach, nou schiet ik toch vol, dat doet me denken aan mijn oma.’

‘Is je oma al lang dood, Bertus?’

‘O jee, die komt haast alweer terug. Triest einde. Ze stak haar hoofd in de oven.’

‘Och hemel, zelfmoord dus?’

‘Ik neem niet aan dat ze dacht dat het haar droogkap was. Ze mocht dan niet helemaal tof zijn, dement was ze zeker niet. Het is toch het alleen zijn hè.

Hartelijk dank voor de gezelligheid en het eten. Dan zie ik jullie morgen weer.’

‘Wát, morgen weer?’ – Arie spuugt een stoofpeertje terug in zijn bakje.

‘Protocol, Arie. We bezoeken de mensen altijd twee keer achterelkaar; ze denken vaak dat ze na mijn bezoek hun gang kunnen gaan. Mooi niet. Dat geldt niet voor jullie hoor. Bovendien, ik ga buiten mijn boekje, jullie hebben voorkennis: een gewaarschuwd mens…

Dus tot morgen. Zo tegen etenstijd maar weer?’

 

 

 

  

 

Het geschiedde in het jaar 2020 - kerstverhaal

Het geschiedde in het jaar 2020. Giuseppe trok de deur van zijn timmerwerkplaats achter zich dicht. Het zou een lange reis worden. Normaal gesproken laat je je vaccineren voordat je op reis gaat, nu gingen ze  juist op reis om zich – verplicht – te laten vaccineren. Allereerst de ouderen, die ook weleens dor hout werden genoemd. Weinig respect voor hen, zeker niet van dat nare jongetje met die bretels en dat bekakte stemmetje. Een vriendje van zijn zoon Markje, van wie hij geen hoogte kreeg. Nogal een houten klaas, misschien niet zo verwonderlijk, want hij had hem zelf gemaakt; daar ben je vader voor. Zijn zoon had nog een ander vriendje: Huugje. Nietszeggend mannetje met rare schoenen aan. Hij zei dat ie christen was, maar dat kon natuurlijk niet, want Christus was nog niet geboren. Daarover later.

      Jezus, wat kon die Huugje liegen zeg, net zoals zijn eigen zoon Markje. Hij had nog steeds geen vrouw, dus vroeg Giuseppe hem een paar keer, voorzichtig en zonder verwijt, want het blijft tenslotte toch je eigen hout waarvan je houdt, of hij misschien meer gevoelens had voor mannen dan voor vrouwen. Wat Giuseppe betrof, kon hij gerust uit de kast komen die hij zelf had getimmerd. ‘Dat kan ik mijn niet herinneren,’ zei Markje dan.

      Herinneren? Dat weet je toch? Maar parate kennis bleek hij niet te hebben. Het vreemde was dat Markjes neus dan langer leek dan normaal. Over zijn werk deed hij ook vaag: ergens in een gebouw met twee kamers; hij werkte niet eens in de eerste. Zijn vriendje Huugje werkte ook in die kamer. Hij trok aan een lijst en had wel een vrouw. Sterker nog, hij scheen iets gehad te hebben met de vrouw van ene Pieter, die aan dezelfde lijst trok. Huugje won.

      Giuseppe haalde Nononono uit de schuur, een ezel die hij had overgenomen van een gepensioneerde clown. ‘Ga hier maar op,’ zei hij. ‘Nee! Ik heb het niet tegen jou, ezel!' Het scheelde niet veel of Nononono was zo op zijn zwangere vrouw gaan zitten. De derde leg alweer. Wat een lelijke vrouw. Tjonge! Hij deed haar gauw een mondkapje voor. Maar ja, een eenzame man, met zo’n zoon… En door die beperkende maatregelen zat hij veel thuis. Na een paar koude Coronaatjes gebeurde het weer eens een keer. Laat Gods zaad maar over Gods akker lopen, dacht hij nog. Nou dat heeft ie geweten…

      Hij vroeg nog of ze uitstel konden krijgen omdat zijn vrouw ieder moment kon bevallen. Maar nee hoor, bevel was bevel. Dat klonk hem niet vreemd in de oren, zijn geheugen was wel goed, maar uit de mond van Markje klonk dat unheimisch.

      Dus gingen ze op pad. Een heel eind was het volgens Google Maps. Onderweg maakten ze van alles mee: op een soort plein stond een bont gezelschap – je moest in die tijd goed op je woorden letten. Het ging hoofdzakelijk over kleur. Samen was nog nooit zo alleen.

      Een doordramdoemdenker stond me toch te brullen! Hij was A quasi-kwaad en B… dat wist hij later zelf ook niet meer. Helemaal kon Giuseppe het niet volgen, maar het scheen over een kinderfeestje te gaan, waarbij sommigen zich zwart schminkten en verkleedden. Het was veel te druk daar, Giuseppe deed nu ook maar een mondkapje voor. Maar de stads-akela voelde daar niets voor. Ze stond daar met een ontblote, stijve bovenlip – alles onder controle, dacht ze.

      ‘Kom, Nononono, we gaan weer.’ Een angstige ‘zwarte’ man hield zich schuil in een portiek. Je kon zo zien dat hij niet echt zwart was maar geschminkt. ‘Waar ben je bang voor?’ vroeg Giuseppe. ‘Dat er op mijn hoofd wordt getrapt.’ ‘Ben je gek, dat zal wel meevallen…’

      Even verderop stond een lange rij tractoren. Wat die boeren allemaal zeiden? Het was niet te verstaan. Hun activistennaam was Engels, maar ze spraken het niet. En waarom sleepten ze doodskisten achter zich aan? Een opmerking over Nononono maakten ze niet, het was maar een dier… Het arme beestje zakte bijna door zijn hoeven met die dikke vrouw op zijn rug. Marianne Thieme had er zeker wat van gezegd. Maar ja, die had nu iets anders aan haar hoofd, kennelijk. Ooit gaat de lol ergens vanaf.

      Het open veld was ook geen verademing. Een zootje jongeren hield daar een illegaal feestje met vuurwerk dat dezelfde betiteling had. En het carbid vloog Giuseppe om de oren. Zijn vrouw was er wakker van geworden, dat was wel prettig na al dat gesnurk op die arme ezel.

      ‘We zijn herdertjes en we liggen bij nachte,’ zeiden de jongeren. Nou, daar zat al heel wat drank in. En niet alleen drank. Overal lagen ballonnetjes en gaspatronen. ‘We hoorden net engelen zingen,’ zei er eentje. ‘O wat leuk,’ zei Giuseppe. Je moet tenslotte voorzichtig zijn, voor hetzelfde geld zijn het drillrappers. ‘Wat zongen ze dan?’ vroeg hij. ‘Ajax, Ajax!’ zei de jongeling. O grote God, dacht hij. Hooligans, dat is zo mogelijk nog linker. Laat ik maar niet over ADO Den Haag beginnen.

Moe en dorstig kwamen ze bij een herberg aan. Het was al donker, maar er brandde geen licht. ‘Wegens corona gesloten’, stond er op de deur. Wat voor nut heeft het om je te laten vaccineren als je toch nergens meer in mag? vroeg Giuseppe zich af.

      Ze moesten ergens overnachten, maar waar? Hij legde zijn hand op Nononono: ‘Wat zweet je, jongen en wat stink je uit je bek.’

      ‘Nee gek, mijn vliezen zijn gebroken,’ zei zijn vrouw met haar mondkapje af.’

      Opeens zag Giuseppe een stal. Je moet toch wat. Bovenop brandde een ster op zonne-energie. De tijd was toen duurzaam. Alles duurde lang, zelfs de coronacrisis. Giuseppe legde zijn vrouw in het stro. ‘Au,’ zei ze. ‘Een wee?’ vroeg hij. ‘Nee, dat stro prikt in mijn kont.’

      De hooligans hadden ook het licht gezien. Eindelijk. Ze kwamen de stal in en zagen het pasgeboren jongetje en gaven het een shirtje met nummer 14. De staldeur ging weer open. ‘Jezus Christus,’ zei Giuseppe, ‘hou ik dat nou?’ – dit klopt natuurlijk niet, want die naam had hij het jongetje nog niet gegeven en bestond dus nog niet. Maar er kloppen wel meer dingen niet in de Bijbel, beweren velen. Het blijft toch door mensen geschreven.

      ‘We komen uit het Verre Oosten,’ zeiden drie mannen in gebroken Engels. ‘We zijn op weg naar het vaccinatiebureau en zagen opeens die ster. Het is voorspeld dat er een koning geboren zou worden.’

      ‘Nou, dan zijn jullie ook niet wijs, zeg. Is er bij jullie in de buurt geen vaccinatiebureau? Jullie hebben dat virus verspreid dit jaar. Trouwens, die ster is nep hoor.’

      Ze knielden bij het jongetje neer en gaven hem een naam die niet op Jezus leek. Zo verbindt eenieder een naam aan wat een hogere macht wordt genoemd als je het zelf niet meer weet. Toch beweert iedere gelovige dat zijn geloof het enige juiste is. En dan kan het er fel aan toegaan.

Jezus werd gelijk afgestaan, want zolang Markje het voor het zeggen had, was de kinderopvang niet gratis. Om over toeslagen maar te zwijgen. En om nou op Sigrid Kaag te wachten totdat ze in het door haar begeerde Torentje zit…

      Hij werd geen timmerman. Maar illusionist. Zo spleet hij een zee in tweeën, liep over water, toverde van een paar broden en vissen er steeds meer… Dat noemde men wonderlijk.

      Het is slecht met hem afgelopen. Een illusie verkopen kan kwaad bloed zetten. Hangend aan een kruis sprak hij zijn laatste woorden: ‘God, waarom heeft U mij verlaten?’ Waarop Harry Mulisch antwoordde: ‘Ja jongen, ze hadden mij ook die Bijbel moeten laten schrijven.’

  

     

Juffrouw Visscher

‘Geneert u zich maar niet hoor,’ zegt de langslopende man, ‘we hebben allemaal wel eens hoge nood, en als er geen pisbak in de buurt is, dan pak je gewoon een boom.’

‘Nee,’ weerspreek ik hem, ‘dat ziet u verkeerd, daar is deze boom niet voor bedoeld.’

‘Zien hoef ik het ook niet,’ lacht de man.

‘Trix plaste ertegenaan.’

‘Trix? Dat klinkt als een teefje.’

‘Dat was ze ook.’

‘En toch tilde ze als een reu haar poot op tegen de boom?’

‘Ach, we hebben allemaal wel een afwijking, meneer. Hier stond Trix. Ze is niet meer, ik doe nu alleen mijn avondwandeling. Bij deze boom sta ik dan minutenlang stil.’

‘Ja, een afwijking, net wat u zegt. Goedenavond verder.’

Het geeft geen pas als je lang bij een boom stilstaat. Daar heb je dus een hond voor nodig. Een nieuwe hond zal mij waarschijnlijk overleven. Dat wil je zo’n beestje niet aandoen, eenzaam in een asiel. Verleden jaar nog rond de verlichte kersttijd stond ik hier met Trix. Langs de boom keek ik naar de sfeervolle huiskamer van juffrouw Visscher. In haar hoekje bij de echte kerstboom met lange lichtjes, zat ze een boek te lezen. Het zal Couperus zijn geweest, misschien wel Vestdijk. Een Mulisch-type leek ze me niet. We kenden elkaar van ‘goedemorgen’ en ‘goedemiddag’. Wie we waren zullen we nooit te weten komen.

Ik had kunnen vragen of ze zin had om een keer een kopje koffie te komen drinken. Maar dan zou ze mij zeker hebben uitgenodigd voor een kopje koffie een keer bij haar. Zo was juffrouw Visscher heus wel. Misschien met de kerst. En dan zou je eraan gaan wennen hè.

Soms keek ze plotseling door het raam mijn kant op, alsof ze voelde dat er iemand naar haar keek. Ik bukte dan snel en aaide Trix, die zich net zo lang bij de boom verpoosde totdat ik alles wel weer gezien had.

Toen de dagen dit jaar lengden, ging het mis. Dagenlang heb ik bij haar gewaakt. Geen boom meer, ze plaste overal. De dierenarts kon niets meer voor Trix doen en liet haar inslapen, wat een mens vaak niet gegund wordt. Die avond liep ik voor het eerst mijn rondje alleen. Bij de boom schrok ik: het huis van juffrouw Visscher was leeg. Ik moet daar minutenlang in de verte van mijn jongste verleden hebben staan staren; beurtelings naar het huis van juffrouw Visscher en naar de lege plek bij de boom. Hoe hol kun je je voelen. Ik liep naar huis en nam geheel tegen mijn gewoonte in, op een doordeweekse avond een borreltje. Twee borreltjes. De etens- en drinkbak zette ik weg. Ik kon ze net zo goed weggooien, maar toch… Haar mand naast mijn bed was ook niet meer nodig en ging de berging in. De volgende ochtend stapte ik over een mand die er niet meer stond.

Of juffrouw Visscher gewoon verhuisd was of de kant van Trix was opgegaan, weet ik niet. Dat vraag je niet aan vreemde buren van wie je nog minder weet dan van juffrouw Visscher.

Haar oude huis is van voor naar achter verbouwd tot een doorzonwoning, wat mij overbodig lijkt omdat de zon nooit van twee kanten tegelijk kan schijnen. Er woont nu een gezin met twee kinderen. In de hoek staat een kunstkerstboom met van die koude ledlampjes. In het voorjaar stond er op een avond politie voor de deur. Huiselijk geweld, zo werd er verteld door vreemden die dan wel met elkaar praten. Zo hoorde ik ook dat juffrouw Visscher plotseling was overleden.

In deze tijd schijnt het een nadeel te zijn als je met elkaar de dag moet doorbrengen in een oppervlakkig verlichte, gezamenlijk eenzame ruimte.

‘Zo, Trix. Ik brand een lange kaars voor je en stuur je naar het licht, als je daar nog niet bent. Misschien wel met juffrouw Visscher, dan zijn jullie niet zo alleen.’

 

 

 

 

Berend Botje en Femke Fiederelsje

‘Waar ga je heen, jongetje?’

‘Zuidlaren, meneer.’

‘In dat speelgoedbootje, met een plastic peddel?’
‘Ja, meneer.’
‘Weten je ouders dit wel?’
‘Jazeker. Ze zeiden nog: “Pas op jongen, soms is de weg recht en dan weer krom. Ze zullen later een liedje over je schrijven.”’

‘Wacht eens even… Wat is je naam?’
‘Berend.’
‘Berend wat?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Je achternaam, natuurlijk.’
‘O, Botje.’
– nee hè! Dat is die galbak aan wie we dat kutliedje te danken hebben. Ik kan het nog voorkomen…
‘Berend.’
‘Ja, meneer.’
‘Je wilt helemaal niet naar Zuidlaren, hè? Maar naar Amerika.’
‘Eh… ja, meneer.’
‘We gaan eerst een spelletje doen: wie het langst onder water kan blijven. Jij begint!
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven…

Hè, waar ben je nou gebleven?’

 

‘Geef me je peddel, dan trek ik je aan boord. Ik ben Christoffel. Wie ben jij?’
‘Berend Botje. Christoffel…? Is uw achternaam Columbus?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik kom uit de toekomst.
Keer om meneer! U zult een vreselijk land ontdekken: Amerika.’
‘Nee, Berend, ik ga naar Indië.’
‘U vergist zich. De indianen zullen op gruwelijke wijze worden vermoord. De slechtste Europeanen zullen chauvinistische Amerikanen zijn. Een donkere dominee en meerdere presidenten worden vermoord.
Geloof me, een vreselijk volk. Met de Bijbel op tafel vermoorden ze elkaar. Voeren bloedige oorlogen in landen waar ze niets te zoeken hebben. Alles uit naam van God en lotsbestemming.
Een gevaarlijke man met gek haar wordt daar president.’
‘Haha, jochie, heb je zeewater gedronken?’

‘Nee, meneer Columbus.’

‘Kijk, Berend, daar komt de Titanic aan. Wat ziet dat schip eruit zeg. Het lijkt wel of het tegen een ijsberg is aangevaren. Kapitein, mag dit jongetje aan boord, hij wil naar huis. Toch, Berend?’

‘Ja hoor,’ zegt de kapitein, ‘veel passagiers heb ik toch niet meer.’

De stuurman is een echte Nederlandse Amerikaan. Tjonge, hij gaat van voor naar achter en van links naar rechts. Berend wordt er kotsmisselijk van. Ook van de haring die met kieuwen en ingewanden en al wordt gegeten. Zul je altijd zien: als je Willem Beukelszoon nodig hebt om het haringkaken uit te vinden, is hij er niet.

‘Wat een eigenwijs opdondertje ben jij,’ klaagt de stuurman. ‘Ga je mij even vertellen hoe ik een schip moet varen? Kom zeg. Heet jij soms Johan en word jij later een beroemde voetballer?’

‘Welnee,’ zegt Berend. ‘Ik heb geen zin om onder de tatoeages te zitten. Zo ordinair.’

Dat was tegen het zere houten been van de kapitein: ‘Wat is er mis met een tatoeage? Johan heeft trouwens helemaal geen tatoeages.’

‘Dat kunt u niet weten, kapitein. Kunt u soms in de toekomst kijken? Johan moet nog geboren worden.’

Daar heeft de kapitein geen antwoord op. Hij is blij als ze weer aan land komen en hij eindelijk van die apenkop af is. Dat durft hij niet hardop te zeggen, omdat ‘apenkop’ heel omstreden zal gaan worden.

 

‘Berend!’ roept Elsje Fiederelsje.

‘Elsje!’ roept Berend. Wat fijn dat je er bent. Heb je mijn appje ontvangen?’

‘Ja, natuurlijk, anders stond ik hier toch niet, eikel. Waar was je al die tijd?’

‘Ken je die mop van dat jongetje dat naar Amerika ging?’

‘Nee, wel die van dat jongetje dat naar Zuidlaren ging.’

Ach ja, er gaat weleens een mop de mist in.

‘Heb je honger?’ vraagt Elsje.

‘Een berehonger,’ zegt Berend die wel van een woordgrap houdt.

‘Ik moet nog meel kopen, mijn moeder bakt pannekoeken.’

‘Dat zeg je verkeerd,’ zegt Berend – ook al is dit geen mooie zin: zeg en zegt in dezelfde zin.

‘Hoe dat zo?’ vraagt Elsje.

‘Het is pannenkoek,’ Elsje.

‘Ho ho, die tussen-n is nog lang niet uitgevonden.’

‘Nee, maar dat gaat wel gebeuren.’

‘Jij zegt trouwens zelf beregoed; zonder tussen-n.’

‘Dat klopt: bij een versterking zoals bere en reuze krijg je geen tussen-n.’

Die Berend toch. Hij weet het altijd beter.

Ze lopen naar de Lidl, maar daar is geen zelfrijzend bakmeel. ‘Wat wil je,’ zegt de verkoopster, ‘het is vakantietijd; wie is er dan niet op reis?’

 

Berend en Elsje lopen naar haar huis in de Van Eeghenstraat. Een chique straat in Amsterdam-Zuid, genoemd naar de ontdekker ervan: Frans Fiederelsje, die daar een liedje over heeft geschreven. Niet te verwarren met Frans Hals, want die kon absoluut niet zingen.

‘Dag mevrouw, ik ben Berend.’

‘Dag Berend. Ik ben mevrouw Fiederelsje. Maar zeg gerust Femke Halsema.’

‘Bent u soms familie van Frans Fiederelsje?’ vraagt Berend.

‘Nee, hoor, maar ik kan wel goed schilderen.’

‘Elsje, zet je klompen maar bij het vuur. Heb je het meel?’

‘Ja, mama.’

‘Zo duur?!’

Dat is nou weer typisch mevrouw Fiederelsje. Altijd weer zeuren. Maar ze heeft het ook niet makkelijk. Nee zeg. Haar man is veroordeeld omdat hij een neppistool in zijn bezit had. Zó dom, Oey wat is die man dom zeg. Je zag gelijk dat het nep was. Alleen zijn zoon had het niet door, die was nog dommer.

‘Lust je spekpannenkoeken, Berend?’ vraagt Femke.

‘Jawel hoor, als er maar geen spek in zit.’

Wat een rare jongen, denkt Femke. Als die geen corona heeft… Ze doet haar mondkapje voor.

‘Wat stinkt het hier,’ zegt Berend.

Femke doet haar mondkapje naar beneden, blaast in haar hand en zegt: ‘Ik ruik niets. Behalve rook; ben je nu weer begonnen, Elsje?’

‘Mama!’ Elsje wijst naar het fornuis…

‘Potverdikke, stomme trut! Ik had gezegd je klompen bij en niet op het vuur te zetten.’

‘Dat zijn mijn klompen niet, mama.’

 

Alle pannenkoeken zijn verbrand. Op zijn sokken loopt Berend naar huis. Het zit hem ook nooit mee. Zijn vader heeft een ziekelijke slaapzucht met een moeilijke naam: lethargie. Hoe kun je nou van een jochie verwachten dat ie zo’n moeilijk woord als lethargie onthoudt? Hij kan nooit op het woord lethargie komen. ‘Gebruik dan een ezelsbruggetje,’ zegt zijn vader dan. ‘Bijvoorbeeld liturgie. Maar liturgie is minstens net zo moeilijk en slaapverwekkend als lethargie dat hij daar een ezelsbruggetje voor moet verzinnen.

Berends moeder is een dame van plezier, maar hij heeft haar nog nooit zien lachen. Dat vinden haar klanten ook: ‘Wat een zuurpruim.’ De man van de fruitstal stuurt haar altijd weg: ‘Scheer je weg, zo verkoop ik nog geen pruim.’ Maar dat vindt Berends vader nooit een goed idee: ‘Wat stinkt mijn scheermes toch zuur,’ klaagt hij dan weer.

 

‘Vader, vader, slaapt gij nog?’

‘Potverdikke, nee nu niet meer,’ zegt Jacob. ‘Eerst die kut kerklokken of die moskee, en nu jij weer, oelewapper! Ik heb weer zo’n last van die, uh…’

‘Lethargie, vader?’

‘Ja, onthoud dat woord nu eens, sukkel.

En wat hebben al die sirenes te betekenen, Berend?’

‘Er staat een huis in de fik, vader.’

‘Waar?’

‘In de Van Eeghenstraat, vader.’

‘O, dat is toch een kakbuurt. Er wordt aangebeld, doe eens open en vraag wie het is.’

‘Wie is daar…?

‘Andries.’

‘Het is Andries, vader.’

‘Vraag wat ie komt doen.’

‘Wat komt u doen.’

‘Ik kom Jezus brengen.’

‘Hij komt Jezus brengen, vader.’

‘Zeg maar dat ie ‘m op de trap zet en dat ik hem later wel kom ophalen. Dat gezeik.’

Maar Andries houdt zijn poot stijf zoals het Andries betaamt; voordat ze het weten staat hij bij Jacob in de slaapkamer, samen met een man met een pijp in zijn mond en een schriel mannetje met een voetbal onder zijn arm. Hij praat slecht Nederlands, met kromme zinnen.

‘Jezus,’ zegt Jacob.

‘Dag Jacob.’ ‘Dag Jacob.’

‘Zeg Andries, alles goed en wel, maar wie is nu Jezus?’

‘Daar zijn we nog niet uit, Jacob. Maar morgen is het Hemelvaartsdag, dus kun je gelijk mee. Je krijgt tien procent korting op je uitvaart en zo reduceer je ook die kut-coronaverspreiding, op jouw hoge leeftijd’ – ja, die Andries is soms best grof.

‘Die heb ik helemaal niet, Andries.’

‘Heb je je dan laten testen, Jacob?’

‘Als aartsvader weet ik toch zeker zelf wel of ik een kut heb of niet?’

 

Het was een mooie uitvaart. Voor het eerst zag Berend zijn moeder lachen.

 

 

Gedachtestroom

Als ik wil schrijven maar geen letter uit mijn toetsenbord komt
Als de weerman praat over een occlusie en een journaal gruwelijke beelden laat zien
Als spotjes vertellen dat een op de vier kanker krijgt, een hartziekte of diabetes
Als BN’ers vertellen hoe de wereld in elkaar zit
Als ik wil hardlopen maar mijn sportkleding nog nat aan de waslijn hangt
Als ik honger noch dorst maar toch iets nodig heb
Als de inspiratie die in mij zit en doorgaans eruit komt door stil te zijn en te luisteren toch niet komt
Dan wil ik alleen zijn met iemand en met mijn gedachten
Dan wil ik alleen zijn met iemand die mij begrijpt
Dan wil ik alleen zijn met mezelf

Denkend aan Holland hoor ik klagende stemmen over oneindig kromgetrokken en bebladerde spoorrails gaan.

Wil ik weg uit de meanderende stroom van te verschillende, enge gedachten. Wil ik terug naar het utopische verleden waarin veel toch overzichtelijker was.
Denkend aan Holland hebben mensen het over verbinden terwijl ze met hun eigen mening overal los van staan. Lijkt uiterlijke schijn belangrijker dan intrinsieke waarde.

Een minirokje, lange of korte broek, hotpants, broekjes zonder kruis… Wijde en strakke pijpen, knieën door een broek. Jeans of denim, corduroy of ribfluweel, het verschil is overeenkomst.
Ronde billen, uitgezakte billen, nauwelijks billen, we hebben er allemaal twee. Romeinse rok, latex, draag het als een fetisj je fetisj is.
Wat past erbij en wie bij wie? Strak en wijd zoekend naar verbinding, tijdens een crisis en ook daarna.
Verbinden is geen kreet maar een sterk werkwoord.

Denkend aan Holland hoor ik landschap ontsierende windmolenparken en energie slurpende airco’s die bij het klimaatakkoord vergeten zijn.
Denkend aan Holland hoor ik mensen praten over gelijkheid terwijl ze toch vooral anders willen zijn. Regent het klachten dat de hitte toch ook niet is wat ze wensen.
Lachen ze door gas en huilen mee met de wolven.

Mijn achternaam heb ik te danken aan de rivier die nog weleens buiten zijn oevers treedt.

Ik meander mijn leven lang al door een landschap dat maatschappij heet. Met succes of wat minder.
Een nimmer aflatende gedachtestroom waarbij de sterkste gedachten uitgroeien tot idealen en de zwakkere ergens in een bocht blijven steken.
Iedere dag worden er weer nieuwe geboren, als glasaaltjes, snel en behendig. Als ze sterk genoeg zijn bereiken ze de delta waar ze in vrijheid voortleven en doorgroeien.
Houd mijn gedachten nooit tegen, geef ze de vrijheid die ze verdienen om idealen te worden, die flexibel genoeg zijn om bochten te nemen zonder eruit te vliegen; ik zal nooit buiten mijn oevers treden, zelfs niet bij storm.

Ik zet de tijd even stil en teken virtueel een beeldscherm dat kleur moet geven aan mijn herinneringen.

Mijn ogen zijn naar binnen gericht en met gemixte emoties tast ik het beeldscherm af. Ik weet waar ik nu sta, maar zie ik mezelf nog terug op dat zwart-witbeeld? De beeldbuis is diep. Uit de tijd dat het verleden kortetermijndenken was en de toekomst langetermijndenkend met je flirtte. De tijd heeft zich schijnbaar omgedraaid.
Ik moet daar nog ergens lopen, sporten, leren om te onthouden of te vergeten. Waar heb ik buitenspel gestaan en in welke val ben ik getrapt? Ik zet het beeld stil en kijk nog eens, en nog eens. Hoewel het beeld helder is, blijft het toch interpreteren.

 

 

Verboden woorden op een goudschaaltje

‘Oh… neem me niet kwalijk,’ zeg ik. ‘Ik had beter even kunnen wachten met afslaan. Zeker met mijn handicap.’

‘Je hebt een behoorlijk handicap,’ lacht de man zijn witte tanden bloot. Het spierwitte golfballetje was precies op zijn hoofd gestuiterd. Hoe krijg ik het voor elkaar.

Het is dinsdag, een dag te ver van het afgelopen weekend verwijderd om daaraan nog te denken en het aanstaande weekend is weer te ver weg om me daar al op te verheugen. Gedachteloos een balletje slaan is de beste meditatie.

‘Zullen we samen een paar holes lopen? Alleen is maar alleen. Ik ben Glenn, een neger, maar dat had je vast al gezien. En door mijn kroeshaar voelde ik het balletje amper landen. O ja, ik ben homo; niet dat je daar last van zult hebben.’

‘Prima, Glenn. Ik ben trouwens hetero en blank.’

Met een soepele swing vanuit de heupen slaat Glenn af. Zou ik mogen zeggen dat donkere mensen atletischer zijn dan blanke, dat ze harder kunnen lopen (zeker sprinten) en beter dansen? Of komt dat verkeerd over?

‘Waarom is een golfbal altijd wit? In de lucht, onder een grauwe hemel, is hij amper te volgen. Zwart zou dan beter zijn. Ook goed te zien in het gras, trouwens.’

‘Nooit over nagedacht, Glenn.’

‘Dat is geen antwoord.’

‘Wit, blank of zwart… wat maakt het uit, Glenn.’

‘Blank is toch anders dan wit.’

‘Blank of wit, wat maakt het uit?’

‘Als je je schuurtje blank wilt lakken en je gebruikt witte verf, moet je eens kijken wat dat scheelt.’

‘Ik vind jou niet zwart,’ durf ik te zeggen. ‘Eerder bruin.’

‘Toch was ik te zwart om voor Zwarte Piet te spelen.’

‘Hè?’

‘Ja, ze konden me niet schminken met regenboogkleuren. Daar heb je een blanke ondergrond voor nodig, zeiden ze.’

Tussen hole twee en drie vertelt Glenn dat zijn relatie pas over is. ‘Soms te veel woorden en even vaak te weinig. Wat er echt aan de hand is, is meer een gevoelskwestie. Daar is geen enkel woord voor te vinden – en jij?’

‘Gescheiden.’

‘Kinderen? Daar vind ik altijd zo zielig voor.’

‘Een meisje,’ zeg ik. Ik haal mijn portefeuille uit mijn achterzak…

‘Link met mij in de buurt, die portefeuille zo in je achterzak,’ lacht Glenn.

Zijn lach verdwijnt als ik hem de foto van mijn dochtertje laat zien. Donkere ogen kunnen toch nog donkerder worden.

‘Lief meisje, heeft ze het syndroom van Down?’ vraagt Glenn even direct als aarzelend.

‘Je ziet het. Ik noem het een mongooltje; syndroom klinkt mij als iets wat een oorlogsslachtoffer heeft opgelopen. Zij heeft niets opgelopen. Ze heeft wat te veel: één chromosoom. Meer niet. En haar beperking is toch echt een handicap: voor nu en vooral voor later. Een mongooltje met een handicap van wie we zielsveel houden en waar niemand ons van afbrengt, zo is het voor mij en mijn ex-vrouw,’ zeg ik tegen een sympathieke homoseksuele donkere man die ik hier op de golfbaan heb leren kennen. Voor hetzelfde geld was het een islamiet geweest als die tenminste ook golft. Of moet ik moslim zeggen? Of haal ik nu alles door elkaar?

Glenn doet zijn arm om me heen en ik doe hetzelfde. We omhelzen elkaar met een zoen op de wang. Tussen twee holes in, op een dinsdag, met onze handicaps die ons niet beperken. Geen woorden meer nodig.  

‘Heb je een hekel aan het woord neger?’

‘Hang ervan af wie het zegt, en vooral hoe.’

‘Onderling noemen jullie elkaar vaak wel zo. En in teksten van rappers hoor ik het dikwijls ook.’

‘We zijn nu eenmaal van het negroïde ras.’

‘Nu zeg ik dat dat geen antwoord is.’

Glenn lacht. ‘Een ras is nu eenmaal een ras. En een ras is een groep mensen die gekenmerkt wordt door dezelfde erfelijke lichaamskenmerken.’

‘Ras is ook een verboden woord door etniciteit.’

‘Je komt er nooit vanaf, al zou je willen. Als ik morgen onder de tram kom en mijn been verlies, hoor ik niet opeens tot een ander ras: een afgezet been is niet erfelijk.’

‘Als je alles op een goudschaaltje legt, kom je er nooit meer uit.’

‘Precies,’ zegt Glenn. ‘En wie bepaalt wat in tijden van gelijkheid waarin iedereen zich toch wil onderscheiden. Kijk maar op de sociale media. Meningen krioelen dominant door elkaar.’

In het clubhuis drinkt Glenn een witbiertje en ik een donker Belgisch biertje. Omdat wij dat lekker vinden.