Gedachtestroom

Als ik wil schrijven maar geen letter uit mijn toetsenbord komt
Als de weerman praat over een occlusie en een journaal gruwelijke beelden laat zien
Als spotjes vertellen dat een op de vier kanker krijgt, een hartziekte of diabetes
Als BN’ers vertellen hoe de wereld in elkaar zit
Als ik wil hardlopen maar mijn sportkleding nog nat aan de waslijn hangt
Als ik honger noch dorst maar toch iets nodig heb
Als de inspiratie die in mij zit en doorgaans eruit komt door stil te zijn en te luisteren toch niet komt
Dan wil ik alleen zijn met iemand en met mijn gedachten
Dan wil ik alleen zijn met iemand die mij begrijpt
Dan wil ik alleen zijn met mezelf

Denkend aan Holland hoor ik klagende stemmen over oneindig kromgetrokken en bebladerde spoorrails gaan.

Wil ik weg uit de meanderende stroom van te verschillende, enge gedachten. Wil ik terug naar het utopische verleden waarin veel toch overzichtelijker was.
Denkend aan Holland hebben mensen het over verbinden terwijl ze met hun eigen mening overal los van staan. Lijkt uiterlijke schijn belangrijker dan intrinsieke waarde.

Een minirokje, lange of korte broek, hotpants, broekjes zonder kruis… Wijde en strakke pijpen, knieën door een broek. Jeans of denim, corduroy of ribfluweel, het verschil is overeenkomst.
Ronde billen, uitgezakte billen, nauwelijks billen, we hebben er allemaal twee. Romeinse rok, latex, draag het als een fetisj je fetisj is.
Wat past erbij en wie bij wie? Strak en wijd zoekend naar verbinding, tijdens een crisis en ook daarna.
Verbinden is geen kreet maar een sterk werkwoord.

Denkend aan Holland hoor ik landschap ontsierende windmolenparken en energie slurpende airco’s die bij het klimaatakkoord vergeten zijn.
Denkend aan Holland hoor ik mensen praten over gelijkheid terwijl ze toch vooral anders willen zijn. Regent het klachten dat de hitte toch ook niet is wat ze wensen.
Lachen ze door gas en huilen mee met de wolven.

Mijn achternaam heb ik te danken aan de rivier die nog weleens buiten zijn oevers treedt.

Ik meander mijn leven lang al door een landschap dat maatschappij heet. Met succes of wat minder.
Een nimmer aflatende gedachtestroom waarbij de sterkste gedachten uitgroeien tot idealen en de zwakkere ergens in een bocht blijven steken.
Iedere dag worden er weer nieuwe geboren, als glasaaltjes, snel en behendig. Als ze sterk genoeg zijn bereiken ze de delta waar ze in vrijheid voortleven en doorgroeien.
Houd mijn gedachten nooit tegen, geef ze de vrijheid die ze verdienen om idealen te worden, die flexibel genoeg zijn om bochten te nemen zonder eruit te vliegen; ik zal nooit buiten mijn oevers treden, zelfs niet bij storm.

Ik zet de tijd even stil en teken virtueel een beeldscherm dat kleur moet geven aan mijn herinneringen.

Mijn ogen zijn naar binnen gericht en met gemixte emoties tast ik het beeldscherm af. Ik weet waar ik nu sta, maar zie ik mezelf nog terug op dat zwart-witbeeld? De beeldbuis is diep. Uit de tijd dat het verleden kortetermijndenken was en de toekomst langetermijndenkend met je flirtte. De tijd heeft zich schijnbaar omgedraaid.
Ik moet daar nog ergens lopen, sporten, leren om te onthouden of te vergeten. Waar heb ik buitenspel gestaan en in welke val ben ik getrapt? Ik zet het beeld stil en kijk nog eens, en nog eens. Hoewel het beeld helder is, blijft het toch interpreteren.

 

 

Verboden woorden op een goudschaaltje

‘Oh… neem me niet kwalijk,’ zeg ik. ‘Ik had beter even kunnen wachten met afslaan. Zeker met mijn handicap.’

‘Je hebt een behoorlijk handicap,’ lacht de man zijn witte tanden bloot. Het spierwitte golfballetje was precies op zijn hoofd gestuiterd. Hoe krijg ik het voor elkaar.

Het is dinsdag, een dag te ver van het afgelopen weekend verwijderd om daaraan nog te denken en het aanstaande weekend is weer te ver weg om me daar al op te verheugen. Gedachteloos een balletje slaan is de beste meditatie.

‘Zullen we samen een paar holes lopen? Alleen is maar alleen. Ik ben Glenn, een neger, maar dat had je vast al gezien. En door mijn kroeshaar voelde ik het balletje amper landen. O ja, ik ben homo; niet dat je daar last van zult hebben.’

‘Prima, Glenn. Ik ben trouwens hetero en blank.’

Met een soepele swing vanuit de heupen slaat Glenn af. Zou ik mogen zeggen dat donkere mensen atletischer zijn dan blanke, dat ze harder kunnen lopen (zeker sprinten) en beter dansen? Of komt dat verkeerd over?

‘Waarom is een golfbal altijd wit? In de lucht, onder een grauwe hemel, is hij amper te volgen. Zwart zou dan beter zijn. Ook goed te zien in het gras, trouwens.’

‘Nooit over nagedacht, Glenn.’

‘Dat is geen antwoord.’

‘Wit, blank of zwart… wat maakt het uit, Glenn.’

‘Blank is toch anders dan wit.’

‘Blank of wit, wat maakt het uit?’

‘Als je je schuurtje blank wilt lakken en je gebruikt witte verf, moet je eens kijken wat dat scheelt.’

‘Ik vind jou niet zwart,’ durf ik te zeggen. ‘Eerder bruin.’

‘Toch was ik te zwart om voor Zwarte Piet te spelen.’

‘Hè?’

‘Ja, ze konden me niet schminken met regenboogkleuren. Daar heb je een blanke ondergrond voor nodig, zeiden ze.’

Tussen hole twee en drie vertelt Glenn dat zijn relatie pas over is. ‘Soms te veel woorden en even vaak te weinig. Wat er echt aan de hand is, is meer een gevoelskwestie. Daar is geen enkel woord voor te vinden – en jij?’

‘Gescheiden.’

‘Kinderen? Daar vind ik altijd zo zielig voor.’

‘Een meisje,’ zeg ik. Ik haal mijn portefeuille uit mijn achterzak…

‘Link met mij in de buurt, die portefeuille zo in je achterzak,’ lacht Glenn.

Zijn lach verdwijnt als ik hem de foto van mijn dochtertje laat zien. Donkere ogen kunnen toch nog donkerder worden.

‘Lief meisje, heeft ze het syndroom van Down?’ vraagt Glenn even direct als aarzelend.

‘Je ziet het. Ik noem het een mongooltje; syndroom klinkt mij als iets wat een oorlogsslachtoffer heeft opgelopen. Zij heeft niets opgelopen. Ze heeft wat te veel: één chromosoom. Meer niet. En haar beperking is toch echt een handicap: voor nu en vooral voor later. Een mongooltje met een handicap van wie we zielsveel houden en waar niemand ons van afbrengt, zo is het voor mij en mijn ex-vrouw,’ zeg ik tegen een sympathieke homoseksuele donkere man die ik hier op de golfbaan heb leren kennen. Voor hetzelfde geld was het een islamiet geweest als die tenminste ook golft. Of moet ik moslim zeggen? Of haal ik nu alles door elkaar?

Glenn doet zijn arm om me heen en ik doe hetzelfde. We omhelzen elkaar met een zoen op de wang. Tussen twee holes in, op een dinsdag, met onze handicaps die ons niet beperken. Geen woorden meer nodig.  

‘Heb je een hekel aan het woord neger?’

‘Hang ervan af wie het zegt, en vooral hoe.’

‘Onderling noemen jullie elkaar vaak wel zo. En in teksten van rappers hoor ik het dikwijls ook.’

‘We zijn nu eenmaal van het negroïde ras.’

‘Nu zeg ik dat dat geen antwoord is.’

Glenn lacht. ‘Een ras is nu eenmaal een ras. En een ras is een groep mensen die gekenmerkt wordt door dezelfde erfelijke lichaamskenmerken.’

‘Ras is ook een verboden woord door etniciteit.’

‘Je komt er nooit vanaf, al zou je willen. Als ik morgen onder de tram kom en mijn been verlies, hoor ik niet opeens tot een ander ras: een afgezet been is niet erfelijk.’

‘Als je alles op een goudschaaltje legt, kom je er nooit meer uit.’

‘Precies,’ zegt Glenn. ‘En wie bepaalt wat in tijden van gelijkheid waarin iedereen zich toch wil onderscheiden. Kijk maar op de sociale media. Meningen krioelen dominant door elkaar.’

In het clubhuis drinkt Glenn een witbiertje en ik een donker Belgisch biertje. Omdat wij dat lekker vinden.